Bij deze inspanningstest wordt stapsgewijs de zwemsnelheid opgevoerd. Het gaat
er vanuit dat de hartslag lineair stijgt bij het opvoeren van de snelheid tot de
anaërobe drempel. Voorbij deze drempel gaat dit lineaire verband verloren. Na
afloop van de test wordt met behulp van een grafiek de drempel geschat.
Benodigdheden
Een zwembad, hartslagmeter en een helper.
Uitvoering
Doe een warming-up van zo’n 20 minuten. Hierna begint de test. Het is de
bedoeling dat er 7 x 200 m gelijkmatig gezwommen wordt met een oplopende
snelheid (- 5 sec) in de zwemslag (vrije slag, schoolslag of rugslag). De zwem
snelheid van de eerste start is gelijk aan het persoonlijke record op 200 m + 30
seconden. Na iedere 200m wordt de zwemtijd en de hartslag genoteerd door een
helper. Bij een hartslagmeter met geheugen is dat niet nodig: een druk op de
geheugenknop is voldoende. Elke nieuwe start is precies 5 minuten na de start
van de vorige. Om een zo goed mogelijk beeld te krijgen geeft de helper elke
50m/100m de tussentijd door aan de zwemmer. Ook noteert de helper de
tussentijden op de 100m.
Verwerking van gegevens
De gegevens worden uitgewerkt in een grafiek aan de hand van hartslag en de
zwemsnelheden. De hartslag stijgt lineair tot de drempelsnelheid. Dit betekent
dat de knik in de curve het gezochte omslagpunt is!